|
|
Fondation
Francqui-Stichting |
||
|
|
Curriculum Vitae - Verslag van de Jury - Toespraken
|
||
|
Curriculum Vitae Geboren te Gent, op 14 juli 1927. Universitaires diploma's :
Doctor in de Rechten, 1951 en Doctor in de
Geschiedenis, 1953. Functies : Gewoon Hoogleraar aan de Fakulteit van Letteren en Wijsbegeerte en de Fakulteit van de Rechtsgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit Gent : Geschiedenis van de Middeleeuwen en Geschiedenis van het Recht. Curriculum vitae :
Aspirant van het Nationaal Fonds voor
Wetenschappelijk Onderzoek, 1951-1953. Wetenschappelijke onderscheidingen :
Laureaat van de Wedstrijd voor de reisbeurzen van
de Regering, 1951. * * * Verslag van de Jury (20 april 1974) Overwegend de oorspronkelijkheid, de nauwkeurigheid, de strengheid en de kritische zin waarvan hij in zijn geschriften blijk gegeven heeft, met name op het gebied van de geschiedenis der instellingen in Vlaanderen, van de middeleeuwse geschiedenis in de het algemeen, van de geschiedenis van het Engelse recht en van het geleerde recht in de middeleeuwen, van de vergelijkende studie van het Europese recht, overwegend de verspreiding die de resultaten van zijn onderzoek zowel in België als in het buitenland gekend hebben, besluit de Francqui-Prijs 1974 toe te kennen aan de heer Raoul van Caenegem, Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Gent. de internationaal jury waartoe behoren :
Professor Hubert
Deschamps en verder
Professor Igor
Ansoff
Professor Gilles
Granger
Professor Jürgen
Habermas
Professor Tom
Lupton
Professor Roland
Olivier
Professor Jacques
Paillard
Professor Ludwig
Schmitt
Professor Antonius
Weijnen
Professor Jean Yver
Professor Oliver
Zangwill * * *
Toespraak van de Heer R. Gruslin
Sire, Ik herhaal aan Uwe Majesteit de hulde van dankbaarheid van deze vergadering, voor de eer die de Koning zich door Zijn aanwezigheid verwaardigt ons Fonds nogmaals aan te doen. De Prijs, dit jaar voorbehouden voor een navorser van wie de werken behoren tot de geesteswetenschappen, werd toegekend aan de heer Raoul van CAENEGEM die in zevenentwintig geboren is en zijn studiën heeft gedaan aan de Rijksuniversiteit Gent, waar hij promoveerde tot Doctor in de Rechten en tot Doctor in de Geschiedenis. Geaggregeerde van het hoger onderwijs, werd hij er Docent en in vierenzestig gewoon Hoogleraar. Na Henri PIRENNE en François GANSHOF en vandaag Raoul van CAENEGEM, blijft de Gentse historische school waardig van haar verleden. Met de toelating van de Koning, zal ik nu lezing geven van het diploma. De Raad van beheer van het Francqui-Fonds, zitting houdend te Brussel, op 22 april vierenzeventig, de jury gehoord die hij gelast had verslag uit te brengen, besluit de Francqui-Prijs vierenzeventig toe te kennen aan de heer Raoul van CAENEGEM, Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Gent. * * * Toespraak van Professor Raoul van Caenegem Sire, De belangstelling van Uwe Majesteit voor het wetenschappelijk onderzoek is verheugend en alom bekend. De aanwezigheid van Uwe Majesteit op deze plechtigheid is er een nieuw en zeer geapprecieerd bewijs van en ik wens er dan ook mijn diepe dankbaarheid voor uit te drukken. Mijnheer de Voorzitter, Dames en Heren, De geleerde is bij definitie en zoeker en een twijfelaar. Hij is opgeleid en geroepen om hypothesen te formuleren, maar ook te verwerpen, om aan kritiek te doen, maar ook autokritiek. Vaak stelt hij zich angstige vragen over de blijvende waarde van zijn werk en het ware belland van de geselecteerde onderzoeksobjecten. Het is dan dat de toekenning van een hoge wetenschappelijke onderscheiding door de raad van beheer van het eminente Francqui-Fonds, op voordracht van een jury van vooraanstaande geleerden, een welkome erkenning en een kostbare aanmoediging brengt. Geen geleerde zal beweren dat de Francqui-Prijs hem toekomt, want hij weet hoe talrijk zijn voortreffelijke confraters zijn die in dit land hun leven wijden aan de wetenschap. Ook zal geen geleerde beweren dat de eer van de Prijs hem alleen geldt. Niemand kan voor zichzelf alleen de verdienste opeisen van het doorgevoerde onderzoek : te talrijk zijn de personen en instellingen die de vorser in de wetenschap hebben binnengeleid, zijn onderzoek hebben mogelijk gemaakt en er hem actief bij hebben geholpen. De geleerde leeft in een gemeenschap, hij is geen Simeon Stylites en geen Robinson Crusoe. Mijn gedachten gaan dan ook naar mijn Alma Mater, de Gentse Universiteit, het kader van mijn eerste studies zowel als van mijn huidig doceer- en onderzoekswerk. Ik heb het voorrecht gehad in de Gentse Historische School te werken - twee andere Gentse historici, H. Pirenne en mijn leermeester F.L. Ganshorf, hebben respektievelijk in 1933 en 1946 de Francqui-Prijs ontvangen - en er tradities te vinden van eruditie, nauwkeurigheid, objectiviteit en internationale oriëntering (die oriëntering heeft me naar de universiteiten van Parijs en Londen geleid, waar ik voortreffelijke Professoren heb gehad, die ik graag in mijn hulde betrek). Zonder de steun van mijn Gentse collega's en wetenschappelijke en administratieve medewerkers zou mijn oeuvre in het stadium van de mooie plannen zijn blijven steken. De niet-ingewijde realiseert zich nauwelijks hoeveel taken op de schouders van Professoren en docenten worden gelegd. Ze zijn verantwoordelijk voor onderwijs en onderzoek op het hoogste niveau in zeer uitgebreide sectoren van de wetenschap. Ze kennen de administratieve beslommeringen die daaraan verbonden zijn. Ze Zorgen voor de buitenlandse contacten door deelneming aan internationale congressen en het geven van gastcolleges in het buitenland. Ze leiden jonge vorsers op en vinden ook nog tijd om zelf onderzoekingen in laboratoria, klinieken, bibliotheken en archieven te verrichten. Niemand zal beweren dat ze in ons land door de centrale administratie worden verwend of met erkenning worden overstelpt, ook daarom is de huidige bekroning een welkom gebaar. De eer die me vandaag te beurt valt zal voor de talrijke historici in ons land een aanmoediging zijn om zich, elk in zijn eigen specialiteit en werkkring, verder te wijden aan hun grote sociale functie, namelijk door de diachronische studie van mens en samenleving een fundamentele bijdrage te leveren voor een juist inzicht in en een exacte kennis van de wereld waarin we leven. Zeer belangrijk is de materiële steun geweest die ik in 1951-1954 en in 1957-1958 respektievelijk van het N.F.W.O. en het Francqui-Fonds mocht ontvangen : ik moge beide instellingen in deze dankbetuiging betrekken. Mijn laatste woord van dank geldt de internationale jury, die de moeilijke taak op zich heeft genomen om de verdiensten van geleerden van uiteenlopende disciplines te beoordelen en de Raad van beheer van het Francqui-Fonds, die mij de Francqui-Prijs 1974 heeft toegekend. * * * |
|||