|
|
Fondation
Francqui-Stichting |
||
|
|
Biografische nota - Verslag van de Jury - Toespraken
|
||
|
Biografische nota Claude d'Aspremont Lynden is in Parijs geboren in 1946, hij is gewoon hoogleraar aan de Université Catholique de Louvain, afdeling Economische Wetenschappen, waar hij de theorie van Sociale Welvaart en Microeconomie onderwijst. Hij is Direkteur van het Center for Operations Research and Econometrics (CORE). Hij onderwijst in de vakken Epistemologie en Economie aan de Facultés Universitaires Saint-Louis te Brussel. Na een licentie in de Wijsbegeerte en een postgraduaat in de Economische Wetenschappen aan de Université Catholique de Louvain (1969), bekwam hij een M.B.A. en een Doctoraat in Speeltheorie aan de Graduate School of Business van de Stanford University in Califonië (1973), als beursstudent van het I.C.M. Terug aan de Université Catholique de Louvain, deed hij onderzoek aan de CORE, waarvan hij mededirekteur was van 1980 tot 1983 en van 1988 tot 1991 ; hij onderwees in het Departement van Economische Wetenschappen, waarvan hij voorzitter is geweest van 1991 tot 1994. Hij werd ook in verschillende andere Universiteiten uitgenodigd, om te onderwijzen en om deel te nemen aan onderzoek (Namen, Parijs, Strasbourg, Marseille, Stanford). Hij publiceerde talrijke artikels in internationale wetenschappelijke tijdschriften. In 1984 werd hij verkozen als "Fellow of the Econometric Society". In 1989 is hij lid geworden van de "Comité Scientifique" toegevoegd aan het Ministerie van Nationale Opvoeding, en vervolgens aan het Ministerie voor Hoger Onderwijs en Navorsing, in Frankrijk. Het geheel van zijn onderzoek werd besteed aan de toepassing van de Theorie van Collectieve Keuzen en van de Speeltheorie in drie economische domeinen : publieke economie, industriële économie en de microeconomische grondslagen van de macroeconomie. In de publieke economie ging zijn belangstelling uit naar algemene kenmerken om de globale welvaart te kunnen evalueren. Eerst heeft hij, vanaf eenvoudige principes (o.a. het individueel initiatief, de gezamenlijk efficiëntie en de rechtvaardigheid), formeel de algemene evaluatie-kenmerken die vandaag het meest besproken zijn, vergeleken : het utilitaristich kenmerk, zoals J. Harsanyi (filosoof, speeltheorist, Nobel Prijs 1994) het uitlegde, en het egalitaristisch kenmerk van J. Rawls (de filosoof van Harvard). Hij gebruikte de Speeltheorie om deze kenmerken toe te passen in omstandigheden waar de decentralisatie van de deelnemers, het verspreiden van de inlichtingen en vooral de strategische houding van de deelnemers de verkrijging van gezamenlijke efficiëntie onmogelijk maakt. Zijn interesse ging reeds zeer vroeg uit naar het domein van de internationale akkoorden over de milieuvervuiling, waarvoor hij de Principe van Wederzijdse Compensatie aanprijsde (in tegenstelling met het principe van "de vervuiler-betaalt"). Zijn onderzoek in dit domein ging verder maar tegenwoording is hij met andere toepassingen bezig, zoals de min of meer concurrentiële regulatie of de regulatie van de produktie van publieke diensten. In de industriële economie paste hij de Speeltheorie toe op de analyse en de politiek van de concurrentie. Hij legde de nadruk op het belang van modellen met twee beslissingsniveaus : korte en lange termijn, om de geloofwaardigheid van lange termijn strategiën te kunnen onderzoeken. Zijn belangstelling ging in het bijzonder uit naar strategieën van produktverscheidenheid, naar de stabiliteit van uitwisselingsverdragen en naar de samenwerkingsakkoorden bij Onderzoek en Ontwikkeling (R&D) binnen een industrie. Hij toonde op verschillende manieren aan dat de ondernemingen, maar ook de consumenten, een voordeel zouden kunnen vinden in sommige modellen van partiële samenwerking. Op die manier illustreerde hij de complexiteit van de gevallen die de concurrentiepolitiek moet behandelen. De invloed van zulke fenomenen van "onvolmaakte concurrentie", mag dan duidelijk zijn op microeconomisch niveau, zoals dat van één industrie, dat is zeker niet het geval voor de globale economie op macroeconomisch niveau. Professor d'Aspremont gebruikt een algemeen model van de economie dat zowel de multipliciteit als de wederzijdse afhankelijkheid van de markten en van de gedragen integreert om een analyse te bekomen van de invloed van onvolmaakte concurrentie over de evolutie van de economie en, in het bijzonder, over de evolutie van de werkloosheid. Hij is medeuitgever van de volgende wetenschappelijke tijdschriften : Games and Economic Behavior, Journal of Mathematical Economics, Journal of Economics/Zeitschrift für Nationalökonomie. * * * Verslag van de Jury (22 april 1995) Gelet de markante bijdrage van Professor Claude d'Aspremont tot de economie, door toepassing van kanstheorie op het gebied van sociale keuze, impulsen en onvolmaakte concurrentie, daarbij de sterke traditie voortzettend van Belgische economen, gespecialiseerd in voortgezette economische wetenschappen, besluit de Jury aan de Raad van Bestuur voor te stellen om de Francqui Prijs 1995 toe te kennen aan de Heer Claude d'Aspremont, Professor aan de Université Catholique de Louvain. de internationaal jury waartoe behoren :
Professor Reimer Schmidt en verder Professor Roger S.BAGNALL Professor E. BALDWIN Professor Salvador BARBERA Professor A. COHEN
Professor Östen DAHL Professor Claude HAGEGE Professor Elizabeth McGRATH Professor Patrick MINFORD
Professor Wolgang RADT * * * Toespraak van
Baron Jacques Groothaert, Sire, Meer dan ooit, wenst het Francqui-Fonds zijn roeping tot steun en aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek waar te maken. Het meent, zoals vele anderen, dat dit een fundamentele eis is in deze onrustige en fascinerende wereld, waar de duizelingwekkende vooruitgang van kennis en ervaring, gestaafd door een veelvormige wetenschappelijke technologie, onoverzienbare perspektieven opent. Vooruitzichten die samengaan met dringende uitdagingen. In een tijdsspanne van enkele decennia, heeft een groeiend aantal landen teogang gekregen tot de modernisatie en industrialisatie, de beheersing van productie en uitwisselingen. De bliksemsnelle ontwikkeling van de landen uit het Aziatische Verre Oosten, vindt voor een niet onbelangrijk deel haar uitleg in het belang dat zij besteden aan opvoeding en vorming. Betekent deze evolutie een bedreiging voor de oude geïndustrialiseerde landen, blootgesteld aan de konkurrentie van de "nieuwe draken" met hun ontzagwekkende efficiëntie ? Waarschijnlijk, maar we zijn er wel van bewust dat afwijzing en protektionisme geen geldige antwoorden kunnen geven op dit "afdrijven van de continente". In deze wereldkompetitie gaat het voor ons, Europeanen, op de voorgrond te blijven van de wetenschappelijke en technische creativiteit, door onze grijze materie maximaal te laten renderen; dit is een onvergelijkbare bron en een waarborg voor de toekomst. Dan ook moet onverspoosd en dagelijks, werk worden gemaakt van de mobilisatie, de aanmoediging en de wil om deze permanente valorisatie te verstevigen. Onze geleerden en Belgische onderzoekers, waarvan de bevoegheid algemeen erkend wordt, hechten zich, in soms moeilijke omstandigheden, aan hun zending, met middelen waarvan we in het verleden reeds de verspreidheid en de ontoerreikendheid hebben aangeklaagd. Met het bevorderen van het onthaal aan onze universiteiten en onderzoekscentra van geleerden en buitenlandse professoren, met het aanmoedigen, door het oprichten van "Francqui-Leerstoelen", van samenwerking en interuniversitaire uitwisselingen, is on Fonds er zich van bewust een belangrijke taak te vervullen door het organiseren en het vergemakkelijken van het behoud en de ontwikkeling van menselijke en professionele kontakten, over alle filosofische en taalkundige verscheidenheden heen. Het meest spectaculaire aspect van deze, sinds decennia gevoerde aktie, is zonder twijfel het toekennen van de jaarlijkse Francqui-Prijs. Dit jaar wordt een onderzoeks- en studie aktiviteit bekroond op het domein van de menswetenschappen. De internationale jury, waarop het Francqui-Fonds het voorrecht heeft beroep te mogen doen, heeft aan de Raad van Bestuur voorgesteld de Francqui-Prijs 1995 toe te kennen aan Professor Claude d'Aspremont, Hoogleraar aan de "Université Catholique de Louvain" waar hij de cursus toepassing van kanstheorie op het gebied van sociale keuze, doceert alsook een cursus politieke economie, en co-titularis is van de cursus gevoderde micor-economie. Hij is eveneens deeltijds Professor aan de "Facultés Universitaires St-Louis". Geboren op 8 april 1946, is Professor Claude d'Aspremont titularis van prestigieuze diploma's die het bewijs leveren van zijn humanisme en polyvalentie, vermits hij licenciaat is in wijsbegeerte en letteren, licenciaat en Meester in de economische wetenschappen, Doctor of Philosophy en Master of Business Administration van de Stanford University. Hij heeft talrijke konferenties, seminiaries en onderzoeksprojekten georganiseerd, en heeft een groot aantal studies en artikelen gepubliceerd. "Met grote voldoeing" vermeldt de Jury "het zeer hoog niveau van de voorgestelde kandidaten, wat de hoge standaard van het onderzoek in menswetenschappen, aan onze Belgische universiteiten weerspiegelt". De Jury heeft "de opmerkelijke bijdrage van Professor Claude d'Aspremont onderstreept op het gebied van de economische wetenschappen, via de toepassing van de theorie van het spel op het gebied van de sociale keuze, de impulsen en onvolmaakte konkurrentiek, hierbij de sterke traditie voortzettend van Belgische economen, gespecialiseerd in de uitbouw van de economische theorie". Dit oordeel is voor ons allen een reden tot fierheid. Wij betuigen nogmaals aan de Koning onze eerbiedige erkentelijkheid voor Zijn aanwezigheid, getuige van Zijn attente belangstelling voor de ontwikkeling van de universitaire activiteit en het wetenschappelijk onderzoek in ons land. Moge ik de Koning, in naam van de Raad van Bestuur, verzoeken de Francqui-Prijs 1995 aan Professor Claude d'Aspremont te willen overhandigen. * * * Toespraak van Professor Claude d'Aspremont Het leven van een vorser bestaat uit onzekerheden, onzekerheid met betrekking tot het universum dat hij in zijn denken exploreert, onzekerheid met betrekking tot de toepasselijkheid van zijn keuzes tegenover de maatschappij die hem omringt. De passie, die hem drijft naar een eindpunt, vaak te ver verwijderd om precies ingeschat te worden, is onderworpen aan de twijfel en de aarzeling. Het is om die redenen dat ik mij vandaag aangemoedigd voel door de uitzonderlijke eer en het genoegen die Uwe Majesteit mij betoont door mij de Francqui-Prijs in de humane wetenschappen te overhandigen. Ik wil hierbij aan de Koning mijn diepe erkentelijkheid betuigen voor de daadwerkelijke steun die Hij voortdurend verleent aan het wetenschappelijk onderzoek, en meer in het algemeen aan een fundamentele reflexie, gekenmerkt door een ethische bezorgdheid voor ons land. Dit laatste moet zijn toekomst vinden in een Europa, en in een wereld, in volle omwenteling. Aldus wordt het gehele universitaire onderzoek aangemoedigd, in zijn dubbel ideaal van vernieuwing en vorming die geroepen zijn om een cruciale rol te spelen in dit tijdperk van crisis en werkloosheid. Sire, De eer die mij betuigd wordt richt zich vooral naar het team, waarin ik het voorrecht geniet te kunnen werken en naar de uitzonderlijke personen die er deel van uitmaken. Allereerst wens ik hier het onderzoekscentrum, waartoe ik behoor, te vermelden, het "Center for Operations Research and Econometrics", kortweg CORE en zijn stichter en raadsman, Professor Jacques Drèze, die een bron van inspiratie geweest is voor zovelen onder ons, in Europa en elders. Ik wil hiet al mijn bewondering opnieuw beklemtonen voor de voorbeeldige wijze waarop hij de meest strikte theoretische ontwikkelingen integreert in een pertinente analyse van de meest complexe economische fenomenen. Het CORE heeft mij een perfect aangepast onderzoeksmilieu verschaft, waarbinnen de autonomie en de geestelijke vrijheid, onontbeerlijk voor iedere vorser, gekoppeld worden aan het aanmoedigen van samenwerking leidend tot duurzame en vruchtbare vriendschap. Ik wil de beslissing om mij deze prestigieuze Prijs toe te kennen ook interpreteren als een eerbetoon aan die discipliens die ik beoefen in het domein van de economie, namelijk de Theorie van de groepsbeslissingen, waarvan men zopas de voornaamste voorloper heeft gevierd, de Markies de Condorcet, naar aanleiding van de tweehonderdste verjaardag van zijn overlijden - en de Speltheorie, waarvan het basiswerk, dat van von Neumann en Morgenstern, juist vijftig jaar geleden verscheen. Naast Professor Drèze wens ik hier een eresaluut te brengen aan mijn andere leermeesters, Monseigneur Van Camp, van de Universitaire Faculteiten St Louis en Professor Jean Ladrière van de Universiteit van Leuven, die mijn filosofische vorming hebben beheerst, en Professor Robert Wilson van de Stanford University, die de Promotor was van mijn doctoraatsthesis in Speltheorie. Il wil hier tevens mijn dank betuigen voor al wat ik verschuldigd ben aan de Université Catholique de Louvain en in het bijzonder aan het Departement van de Economische Wetenschappen waartoe ik behoor. Ik heb reeds het team work en de vruchtbare en vriendschappelijke samewerkingsverbanden in mijn onderzoeksarbeid vermeld. Bij de eer die mij vandaag bewezen wordt wil ik eveneens mijn coauteurs betrekken, de Professoren Jean Gabszewicz en Alexis Jacquemin van de UCL, Louis Gevers van de Faculteiten Notre Dame de la Paix te Namen, Louis-André Gérard-Varet, van de Ecole des Hautes Etudes en Sciences Sociales in Frankrijk en Rodolphe Dos Santos van de Universiteit van Straatsburg. Il wil hier ook, aangezien zij hier aanwezig zijn, mijn echtgenote en mijn kinderen danken voor hun toegenegen steun en voor alles wat zij mij geleerd hebben in de kunst van het overleg en de spelen. Het beroemdste resultaat van de Theorie van de groepsbeslissingen, het onmogelijkheidstheorema van Arrow (hoogleraar in Stanford), wordt meestal geassocieerd met de paradox van de meerderheidsstemming van Condorcet en leidt de politieke filosofie tot het nadenken over de inherente moeilijkheden van ieder democratisch systeem. Voor de economist die aanvaardt hier dieper op in te gaan, onthulst dit resultaat nog meer : de twee interne begrenzingen van het systeem van de markteconomie. Meer algemeen nog betreffen deze fundamentele limieten - die het belangstellingsveld van gans mijn werk hebben ingenomen - ieder gedentraliseerd systeem van groepsorganisatie. De eerste van die begrenzingen is het onvermijdelijk karakter van de beschouwingen over gelijkheid en rechtvaardigheid. In de morele filosofie van de XVIII eeuw, de "Eeuw van de Verlichting", die het leven geschonken heeft aan de economische wetenschap, werd de vraag van de samenvoeging van individuele voorkeuren reeds gesteld, zij het dan in meer poëtische termen geformuleerd zoals het Geluk van eenieder en de Harmonie van allen. Om hierop te kunnen antwoorden vereiste het utilitaristische principe een ethisch principe dat moest aan de grondslag liggen, volgens de woorden van Edgeworth, aan de opbouw van een sociaal mechanisme dat waardig zou zijn om op een dag zijn plaats te vinden naast het hemels mechanisme. In dit sociaal mechanisme waren decentralisatie en concurrentie geroepen om een centrale rol te spelen. Vervolgens zijn de economisten er inderdaad in geslaagd om de collectieve doeltreffendheid van de zuivere en volmaakte concurrentie aan te tonen - een fundamenteel resultaat dat nog steeds grotendeels de concurrentiepolitiek inspireert - zonder er echter in te slagen dit ideaal sociaal mechanisme uit te bouwen en toch de implicaties van herverdeling in het ongewisse latend. Het theorema van Arrow heeft aangetoond dat concurrentie on niet veel verder kan leiden. Dit brengt on tot de tweede interne limiet van ieder gedecentraliseerd systeem dat een plaats laat aan het individueel intiatief. Deze limiet is te wijten aan het strategisch gedrag van de economische subjecten en aan de ondoeltreffendheden die er uit voortvloeien. In de analyse van de verkiezingswijzen wordt dit vertaald door het fenomeen van de strategische stem. In de economie worden deze strategische gedragingen waargenomen buiten het marktsysteem in de mechanismen die opgezet worden om collectieve dienstverlening te organiseren, zoals landsverdediging of het wegennet, of om bepaalde neveneffecten te vermijden, zoals de pollutie. Maar, zelfs in bestaande markten, of gecreëerde, kan men deze gedragingen waarnemen indien de concurrentie onvolmaakt is. Subjecten, die op grote schaal produceren, gebruiken hun economische macht, of anderen, die in het bezit zijn van private informatie of vatbaar voor niet na te volgen daden, maken de invoering van efficiënte contracten onmogelijk. Aldus, op de verzekeringsmarkt, kan de risicodekking slechts volledig zijn als er sprake is van moreel toeval, dit wil zeggen wanneer het niveau van voorzorgen genomen door de verzekerde niet waarneembaar is en wanneer de waarschijnlijkheid van een ongeval ervan afhangt. Dezelfde verschijnselen kunnen waargenomen worden op andere markten, zoals die van het krediet of van de arbeid. De macro-economische gevolgen van deze disfuncties kunnen niet te verwaarlozen zijn. De speltheorie heeft een hoofdrol gespeeld in de analyse van dergelijke gedragingen. Zij heeft niet alleen het strategisch karakter van de concurrentie te voorschijn gehaald, maar ook het belang aangetoond van institutionele coördinatie-mechanismen en van samenwerkingsakkoorden om een efficiënte oplossing te bekomen, of toch tenminste te benaderen. Zo kan, wanneer de informatie onvollegid is, het invoeren van taksen of van aanmoedigende subsidies, door een gecentraliseerde instantie, toelaten to een efficiënte oplossing te komen in situaties, waar wederzijds voordelige contracten niet konden bereikt worden door spontane onderhandeling vertrekkend van een willekeurige verdeling van de rechten. In Europa, en een land, waarin de organisatie van de markten en de openbare instellingen in volle hervormingsfase zijn, kunnen deze analyses leiden tot een beter gebrip van de respectievelijke rollen die te vervullen zijn door de verschillende machtsniveau's in de schoot van een gedecentraliseerde structuur. Vanuit een economisch standpunt kan een oud principe zoals dat van de subsidiariteit (het wordt toegeschreven aan de theoreticus van het natuurrecht Althusius, die in de XVII eeuw leefde) vernieuwd geïnterpreteerd worden als het evenwicht dat moet gevonden worden tussen een steeds meer doorgedreven concurrentie onder entiteiten van hetzelfde niveau en de coördinatie verschaft door de tussenkomst van een hoger niveau, tussen een meer efficiënte toewijzing van de bestaansmiddelen door een toegenomen decentralisatie en een betere wederzijdse verzekering of een grotere verdelende gerechtigheid door globalisatie, waarbij beide laatstgenoemde aspecten meestal onscheidbaar blijven. Het onderzoek en de vernieuwing moeten ook hun plaats vinden in deze nieuwe constructie. De onzekerheid die ze kenmerkt, evenals de twijfels van hen die er zich aan wijden, het elimineren van kostelijke verdubbelingen en het hergroeperen van de middelen impliceren de noodzaak van een verhoogde coördinatie en een uitgebreide samenwerking op alle niveau's. Natuurlijk mogen de te vinden regels niet schaden, noch aan de mededinging, noch aan een niet-schadende concurrentie op langere termijn, met name op het industrieel niveau. Voor wat het universitaire onderzoek betreft, heeft mijn bescheiden persoonlijke ervaring mij overtuigd van de onvervangbare inbreng van ondersteuningsprogramma's aan interuniversitaire netwerken, die interregionaal dienen te zijn op het Belgisch niveau of internationaal op het Europees niveau. Sire, De theoretische overweging heeft aldus beperkingen toegewen aan het opzetten van een gedecentraliseerde institutionele structuur, wil zij een individueel intiatief waarborgen : het gaat erom verwoestende strategische gedragingen te vermijden en principes van rechtvaardigheid en gelijkheid te eerbiedingen. Het schenden van deze limieten kan in de praktijk als zeer pijnlijk ervaren worden. De op te lossen problemen blijven talrijk. Zij overschrijden de grenzen van mijn onderzoeksgebied om op het vlak van andere humane wetenschappen te komen. Het is mijn wens dat de Francqui-Prijs, die mij vandaag werd toegekend voor hen een signaal moge zijn. * * * |
|||