|
|
Fondation
Francqui-Stichting |
||
|
|
Curriculum Vitae - Verslag van de Jury - Toespraken Curriculum Vitae (1911 - 1984) Geboren te Seraing-sur-Meuse op 1 december 1911 Universitaire diploma's :
Licenciaat in de scheikundige wetenschappen,
Rijksuniversiteit te Luik, 1937 Funkties : Gewoon Professor aan de Fakulteit der Wetenschappen van de Rijksuniversiteit te Luik : struktuur van de stof en moleculaire fysika Curriculum vitae :
Aspirant van het Nationaal Fonds voor
Wetenschappelijk Onderzoek , 1939-1941 Wetenschappelijk onderscheidingen :
Laureaat van de Wedstrijd voor de reisbeurzen der
Regering, 1937 * * * Verslag van de Jury (8 april 1961) De Raad van beheer van het Francqui-Fonds, zitting houdent te Brussel op 10 april 1961, gezien artikel 10 van het Organiek Reglement, wensend dat zou blijven bewaard de herinnering van de hulde gebracht door de Jury van de Francqui-Prijs 1961 aan de heer Jules DUCHESNE, Professor aan de Rijksuniversiteit te Luik. overwegende de belangrijkheid van de bijdrage van de heer Jule DUCHESNE tot de dynamika der molekulenen de teorie der chemische verbindingen, overwegende de draagwijdte van zijn navorsingen in het domein der radiofrekwenties, overwegende de uitgebreidheid van zijn werken betreffende de moleculaire fysika over 't algemeen, overwegende de invloed die hij heeft uitgeoefend op zijn leerlingen en op zijn medewerkers, besluit een gouden medaille te laten slaan op naam van de heer Professor Jules DUCHESNE. de internationaal jury waartoe behoren :
Professor P.
LAFFITE en verder
Professor D.
Barbier
Professor L.P.
Bouckaert
Professor J. De
Boer
Professor L. D'Or
Professor R. Mazet
Professor Sir. H.
Melville
Professor I.
Prigogine
Professor P. Swings * * * Toespraak van de heer Solvay, Voorzitter van de Francqui-Stichting Verleden jaar was het de Koning, wegens uitzonderlijke omstandigheden waarvan iedereen de diepgaande betekenis heeft begrepen, niet mogelijk de uitreiking van de Francqui-Prijs aan Professor de Duve voor te zitten. De vorst heeft gewenst, zodra de Staatszaken het Hem toelieten, weer de traditie te volgen waaraan de Dynastie immer trouw is gebleven. Uit naam van mijn kollega's, leden van de Raad van beheer, uit naam van al degenen die het voorrecht hebben deze zitting bij te wonen waarvan de intimiteit de grootsheid niet uitsluit, uit naam van de laureaten die dit jaar twee in getal zijn, bid ik de koning de hulde te willen aanvaarden van onze erkentelijke en zeer eerbiedige gehechtheid. Artikel 10 van het Reglement van ons Fonds verklaart dat, wanneer door de internationale Jury - altijd samengesteld uit biezonder erminente personaliteiten - de kandidaten de Raad, ex aequo, ter keuze worden voorgedragen, de jongste, met instemming van de Raad, titularis wordt van de Francqui-Prijs. Sinds 1933, verwezenlijkten dergelijke voorwaarden zich éénmaal toen, in 1953, Mej. Claire PREAUX, Professor aan de Vrije Universiteit te Brussel, dank zij haar leeftijd, het won van de Heer Kanunnik Etienne LAMOTTE, Professor aan de Katholieke Universiteit te Leuven. We bevinden ons vandaag in een analoge toestand. Inderdaad, hij de 4de en laatste stemming werden de Raad, ex aequo, ter keuze voorgedragen, de heer Adolphe VAN TIGGELEN, geboren op 2 december 1914 en de heer Jules DUCHESNE, geboren op 1 december 1911. Dientengevolge heeft de Raad Francqui-Prijs toegekend aan de heer Adolphe VAN TIGGELEN. Doch, zich houdend aan een gelukkig precedent, heeft de Raad eveneens besloten de exceptionele verdiensten te erkennen van Professor Jules DUCHESNE van de Universiteit te Luik, door een gouden medaille te laten slaan op zijn naam. Het lijkt me overbodig het werk van deze twee vooraanstaande personaliteiten te kommenteren, gezien hun bevoegdheden duidelijk blijken uit de teksten van de diploma's waarvan, met de toelating van de Koning, lezing zal vorden gegeven. * * * Toespraak van de heer Jules Duchesnes Het is met innige ontroering dat ik uit de handen van Zijne Majesteit de Koning de overgankelijke getuigenis daareven ontvangen heb van de bezorgdheid waarvan de Jury van de Francqui-Prijs en de Raad van beheer van deze Instelling te mijnen opzichte hebben blijk gegeven. Dat Uwe Majesteit me zelf dit kostbare gedenkschrift heeft willen overreiken, is voor mij een bron van oneindige erkentelijkheid en geeft me een nieuwe impuls. Mijne Heren Leden van de Raad van beheer van het Francqui-Fonds, de vreugde die me aangrijpt op het gelukkige ogenblik dat mijn werk, volbracht met talrijke medewerkers, een zo hoge erkenning geniet, kan ik onmogelijk scheiden, noch van de vrije interpretatie die U aan een reglementaire beschikking heeft gegeven, noch van het voorrecht aan de zijde te staan van mijn eminente kollega Van Tiggelen, wiens merkwaardige verdiensten zo rechtmatig werden erkend door de Francqui-Prijs die Zijne Majesteit de Koning hem zo juist heeft overhandigd. Bij het ontvangen van de hulde van het Francqui-Fonds, hulde die ik beschouw als een prikkel om in de toekomst meer dan ooit al mijn krachten aan het wetenschappelijk onderzoek te wijden, overweldigen me, instinktmatig en sterk, enige herinneringen. Ik denk aan mijn overleden vader die me de verering van het ware en het humanisme inprentte, ik denk aan mijn moeder die me met zorgen en liefde omringde en me leerde nooit te falen; en ik kan ook mijn gedachte niet afleiden van twee kleine geliefde wezens wier tederheid me zo vaak steunde, noch van hun moeder om haar onbegrensd geduld. De ervaringen die ik als C.R.B. Advanced Fellow in de Verenigde Staten heb opgedaan en de betrekkingen die ik sindsdien met talrijke wetenschappelijke inrichtingen van dit land onderhoud, hebben mijn visie op de diengen aanzienlijk verrijkt; dit alles doet me onweerstaanbaar denken aan het zo vruchtbare werk dat de Universitaire Stichting en haar tweelingzuster de Belgian Educational Foundation sinds meer dan veertig jaar verrichten, en twee grote nagedachtenissen vereeuwigen - de nagedachtenis van Emile Francqui en die van Herbert Hoover. Bij het aanhalen van zoveel weldaden, ben ik gellukig de gelegenheid te vatten mijn dankbaarheid uit te drukken aan de Universiteit te Luik, vertegenwoordigd door haar Rektor de heer Dr. Dubuisson, die voor de derde maal mocht bogen op de stemmen van zijn pairs en die, door zijn onvermoeibare energie o, de verdediging van de zo gegronde rechten van het hoger Onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek in ons land, onze moed heeft versterkt. In de loop van mijn carrière kon ik op buitengewone medewerkingen rekenen. Eerst dient vermeld de beroemde Professor Dr. Victor Henri, wiens leerling ik werd en die me met zijn genegenheid vereerde. Ik wens aan zijn nagedachtenis een vurige hulte te brengen. In zijn bewonderenswaardige lessen over de struktuur der molekulen, gepubliceerd in 1925, schreef hij dat de nazoekingen over dit onderwerp en heel biezondere bekoring uitoefenen en men er zich niet alleen aan wijdt met zijn intellekt maar ook met hart en ziel. Deze houding, die heel nauwkeurig de esthetische opvattingen van Victor Henri vertolkt, houding die zijn hele natuur beheerst, vond een weerklank bij al zijn leerlingen voor wie ze een onuitputtelijke bron was van inspiratie en geestdrift. Ik herinner me ook met ontroering dat ik, meer dan vijfentwintig jaar geleden, de buitengewone kans had te worden opgemerkt door Professor Dr. Ch. Manneback ; sindsdien werden me, onder het teken van zijn welwillende vriendschap, zijn hoge kultuur zowel als zijn volkomen kennis van moleculaire teorieën totaalgegund. Ik kon er een beter evenwicht uit putten tussen de teoretische koncepten en de gegevens van de experimentatie. En eindelijk hebben Professor Dr. Manneback en Professor Dr. Van Itterbeek me met hun paranimfschap willen vereren. Op een dat als deze is het misschien goed in herinnering te brengen dat de wetenschap geen aanspraak maakt op een absolute zekerheid, noch op onfeilbaarheid, noch op een onbegrensde van elk emotioneel element ontblote objektiviteit. In der waarheid, gebaseerd op het verrukte duchten van de wereld, op avontuurgeest en hoop, doet de wetenschap beroep met evenveelkracht op de intuïtie als op de rede en heeft ten slotte dezelfde oorsprong als de dichterlijke visie. Het is trouwens in de schoonheidskultus dat de wetenschapsmens de krachten vertienvoudigt die hem nodig zijn om zonder falen te ontginnen, het kiemterrein van de belangloze gedachte, die welke men hier heeft horen roemen. In deze opperste perspektief, dank zij de toenemende verspreiding van de wetenschappelijke taal, deelt hij ten slotte, evenals de dichter, in een bewustwording van de meest verheven menselijke waarden. Moge onze wereld dus de helderziende wilskracht bewaren om aan de beschouwing van de Natuur en aan de wetenschappelijke overpeinzing al de effektieve voorwaarden van een natuurlijk vorderen en een volledige ontplooiing te verzekeren, zodoende de imperatieven vervoegend die Koning Albert, vijfendertig jaar geleden, aanhaalde in een van zijn indrukwekkende visioenen. * * *
|
||
|
|
|||